Na het avontuur in het diepe zuiden trekken we verder naar misschien wel het meest iconische landschap van Nieuw-Zeeland: Aoraki oftewel Mount Cook, de hoogste berg van het land. En daar, wandelend over de heuvelrug van het Tasman gletsjermeer, valt alles samen.
De wind jaagt over de kammen terwijl we uitkijken over een surrealistisch landschap. Om ons heen alleen maar bergen: ruig, stil en eindeloos. Besneeuwde toppen steken scherp af tegen de lucht, met Mount Cook als onbetwiste reus boven alles uit. Voor ons drijven ijsschotsen, afgebroken van de gletsjer, langzaam over het melkachtige meer. De kleur ontstaan door het fijngemalen gruis van steen, ‘rock flour’. Het voelt bijna onwerkelijk. Dit zijn beelden die je verwacht in Patagonië of op Antarctica, en toch staan wij hier.







We zeggen weinig. Dit is zo’n moment dat je alleen maar kunt ervaren. Eén van de ijsschotsen drijft langzaam weg, richting de vallei. We volgen hem met onze ogen tot de kolkende rivier hem opslokt. Zelfs de jongens voelen hoe bijzonder dit is. Alsof we even aan het einde van de wereld staan. Later zal Bent in zijn dagboek schrijven dat het “een van de vetste dingen is die hij ooit heeft gezien”.
De dag ervoor waren we al bij Kea Point, waar we oog in oog stonden met niet een of twee, maar drie (!!) gletsjers. Mount Cook voelt als een samenvatting van alles wat Nieuw-Zeeland zo bijzonder maakt: wild, rauw en puur, maar tegelijk toegankelijk. Het is precies die uitgestrekte wildernis die al twintig jaar in ons hoofd zat toen we droomden van deze roadtrip. En nu staan we er echt.

We blijven drie dagen in dit gebied en halen er alles uit. Zo lopen we ook de Red Tarns Track. We tellen 1200 natuurlijke treden omhoog naar een kleine ven met rode waterplanten, en dus ook weer naar beneden. Pittig, maar de jongens geven geen krimp. Met af en toe een snoepje en wat aanmoediging klimmen we als team naar boven waar opnieuw een uitzicht wacht dat alle moeite waard maakt.



Dan begint het besef te komen dat het einde van onze reis nadert. We hebben nog één week op het Zuidereiland, en die wordt onverwacht extra bijzonder. Tot onze grote vreugde komen onze Deense vrienden van zeiljacht Leia ook naar het Zuidereiland. We ontmoeten elkaar bij Fairlie, waar ze ’s avonds de camping op komen rijden. Vanaf dat moment voelt het als één groot feest.
Samen reizen we verder via de blauwe meren van Tekapo en Ohau en opnieuw richting de gletsjers – een trip down memory lane. Ook zij zijn sprakeloos bij het zien van al dat natuurschoon. Daarna rijden we naar Wanaka en Lake Hawea, plekken waar wij eerder zo’n mooie nazomer beleefden. Nu rennen de kinderen samen door het bos, houden stokgevechten en bouwen hutten, terwijl wij praten over alles wat komt.

Over de toekomst. Over het verkopen van de boot. Over terugkeren naar een leven aan land, met school, structuur en de ‘gewone wereld’. Want ook de Leia staat op eenzelfde kruispunt als wij. We vragen ons hardop af of de wereld thuis ons nog wel past. Het zijn eerlijke gesprekken, soms twijfelend, soms hoopvol. Want hoewel we voelen dat dit de juiste stap is, weten we ook: het zal wennen zijn… Als de kinderen in bed liggen, drinken we samen thee onder een eindeloze sterrenhemel. We trekken onze jassen nog wat strakker dicht tegen de kou. Het zijn die simpele momenten die blijven hangen.




Na het afscheid van Leia, trekken we verder voor onze laatste kampeernacht. Dat doen we op een spectaculaire plek bij de Rakaia Gorge. Hoog op de kliffen kijken we uit over het felblauwe, bijna fluorescerende water van de rivier onder ons. Hier nemen we afscheid van onze roadtrip. Ook van onze rooftop tent, ons thuis op wielen de afgelopen weken. Deze manier van reizen was anders dan het leven aan boord van onze boot. Simpeler, basaler. Maar ook vrijer. De jongens konden altijd naar buiten, rennen, ontdekken, spelen. Onbegrensd.






In Christchurch brengen we de laatste dagen door in een appartement dat voelt als pure luxe. Twee verdiepingen, een keuken, warme douches, zachte bedden. De vaatwasser draait, de televisie staat aan, en de Lego ligt weer in duizenden stukjes verspreid door de kamer. Het is comfortabel. Confronterend ook. Want hoe fijn dit ook is, het zijn uiteindelijk gewoon muren en een dak. Toch voelt het fijn.
Dan pakken we onze tassen. Sluiten een hoofdstuk af. En stappen in het vliegtuig op weg naar wat komt. Wat dat precies is, weten we nog niet. Maar misschien is dat juist wel het mooiste van alles.

