Off the beaten track in Aitutaki, Cook Islands

Posted by

·

En alweer ligt er drieduizend zeemijl voor ons, het equivalent van dé grote oversteek van Galapagos naar Frans-Polynesië. Dat staat gelijk aan minstens 20 dagen non-stop doorvaren. Gelukkig hoeft het dit keer niet non-stop. Er liggen verspreid over het westelijke deel van de Stille Oceaan verschillende eilanden en atollen die we zullen bezoeken voordat we aankomen op onze voorlopige eindbestemming Australië. Te beginnen bij de Cook-eilanden. We zijn nu onderweg naar Aitutaki, behorend tot de naar de Britse ontdekkingsreiziger James Cook vernoemde eilanden. Het is 495 mijl, drieënhalve dag (en vier nachten) varen. 

Inmiddels zitten we twee dagen op zee en al sinds vertrek uit Raiatea voelt het anders. De eerst dag hadden we pittige zeilomstandigheden en voelde ik me erg beroerd. Maar ook de tweede dag klaarde, ondanks een stralende zon en prachtige zeilwind, mijn gemoed niet meteen op. Ik zit in mijn hoofd en de zee komt even niet binnen. Ondanks bestemmingen als Aitutaki, Niue, Tonga en Fiji, voelen de aankomende duizenden zeemijlen als een verplicht nummer. Daarmee doe ik deze eilanden zeer zeker tekort, maar soi, zo voelt het. Eind november moeten we zo’n beetje in Brisbane zijn voordat het cycloonseizoen in dit deel van de wereld op gang komt. De komende drie maanden zullen we er dus nog flink tegenaan moeten. 

Misschien komt het ook wel omdat we uitkijken naar Australië en Nieuw Zeeland. Twee landen die we met een campervan zullen gaan bereizen. Het uitkijken daarnaar maakt ook dat het oversteken van de rest van deze immens grote oceaan voelt als een opgave. 

En terwijl ik dit schrijf, weet ik ook dat het een momentopname is. Door een dal gaan, maakt de euforie des te groter als we straks aankomen op Aitutaki. Dan overvalt me weer dat grootse gevoel van avontuur, van voldoening en gelukzaligheid. 

Maar als ik vervolgens op de derde ochtend tijdens het reven (verkleinen van het zeiloppervlak) een scheur in het grootzeil trek, staat het huilen me nader dan het lachen. Nog drieduizend mijl te gaan, met een gescheurd grootzeil. Die uitdaging kon ik er nog wel bij hebben… 

Bommetje

We rollen het zeil in tot voorbij de scheur en varen verder met een stukje grootzeil. We kunnen Aitutaki niet bij nacht aanlopen en moeten daarom vertragen: een geluk bij een ongeluk. Op de vierde ochtend draaien we de boeg om de noordpunt van het eiland en volgen het rif tot aan de ingang van de pas naar binnen. We worden verwelkomd door humpback whales die hun jongen komen baren in de ondiepere wateren rondom de eilanden en atollen in de Pacific. Ik vang nog net de aanblik van een walvis die uit het water springt om zijn grote lijf met een voorbeeldige uitvoering van een bommetje in het water te laten klappen. 

We maken de boot klaar om de haven binnen te varen, waar we met een anker vanaf de boeg en lange lijnen vanaf de achterkant aan de wal moeten aanmeren. Bij het klaarmaken van het anker doet de ankerlier het niet, hij lijkt geen stroom te krijgen. We informeren een van de cruisers, die in de haven klaarstaat om ons te helpen aanmeren, dat we een kleine vertraging hebben. We krijgen te horen dat het vrachtschip dat voor de haveningang ligt eerst wordt uitgeladen en dat we pas tijdens de lunchtijd van de medewerkers naar binnen mogen varen. Uitladen gebeurt met een soort duwbak die op en neer vaart. De pas is te smal om elkaar te passeren en we mogen het werk niet hinderen. De daaropvolgende vijf uur varen we noodgedwongen op en neer achter de beschutting van het rif en keert Leon de gehele ankerlier en alle elektrische verbindingen binnenste buiten om het probleem te vinden. En dat lukt! Als we rond de klok van één de pas invaren, werkt de lier weer als vanouds. 

Monohull alley

De passage is de smalste die we tot nu hebben meegemaakt. Met 4 à 5 knopen stroom tegen varen we tussen de koraalmuren naar binnen. Aan het eind van de pas liggen mede-cruisers,  die we alleen kennen van de whatsapp-groep ‘Aitutaki welcoming committee’, klaar om ons met dinghies te begeleiden naar de plek waar we achteruit inparkeren, in het zogenaamde ‘monohull alley’. Een gejuich stijgt op vanaf de kant als de laatste lijn wordt vastgeknoopt en er weer een jacht – wij – veilig is aangemeerd. De saamhorigheid is groot, iets dat we hier eigenlijk pas voor het eerst zó sterk ervaren. In tegenstelling tot Frans-Polynesië waar honderden, zo niet duizenden jachten rondvaren, zijn we als zeilers hier in Cook op onszelf en een tiental andere cruisers aangewezen. 

De haven ligt met twaalf boten gezellig vol en nog diezelfde avond gaan we met evenzoveel bemanningen naar het lokale food festival. In verschillende partytenten serveren de locals zelfgemaakte gerechten. De avondzon kleurt de lucht oranjeroze, de kruidige smaak van buttered chicken prikkelt mijn zintuigen, de kinderen rennen over het grasveld met nieuwe vriendjes van het Deense zeiljacht Leia en wij wisselen verhalen uit. De avond is een cadeautje en voorbode voor een geweldige week. Als we de volgende ochtend tot onze grote verrassing een reservegrootzeil in het vooronder vinden, kunnen we ons geluk niet op! 

Afgemeerd met lange lijnen naar de wal in ‘monohull alley’.
Rechts Leia, 2e van rechts Tournesol

Zwemmen met walvissen

De dagen vliegen om. Na school trekken de jongens erop uit met de kids van de Leia. Ze kunnen vrij rondrennen vanaf de boten naar het sportveld waar ze voetballen, boogschieten en kokosnoten stropen. Ongehinderd door blaffende honden want die zijn op het eiland verboden.

Ik maak met Richard en Marianne een wandeling van 13 kilometer naar het hoogste punt (124 meter 😆) van het eiland. Even geen kids om rekening mee te houden en lekker doorstappen. Vanaf het uitzichtpunt zie ik de walvissen buiten het rif spuiten en springen, een aanzicht dat nooit gaat vervelend. 

We ontdekken het eiland per scooter die we huren voor een habbekrats. De prijzen zijn hier de helft van die in Frans-Polynesië. Rijden doen we aan de linkerkant van de weg en zonder helm. Je moet daarvoor wel een Cook Island rijbewijs oppikken bij de politie. 

Een bultrugmoeder en haar jong gefotografeerd door Michael van sy Leia

Maar het hoogtepunt van de week is toch wel het zwemmen met walvissen. Met de Leia boeken we een boottoer om met de bultruggen te gaan zwemmen. Al snel nadat we buiten het rif varen, zien we de eerste ruggen boven het water verschijnen. Wat zijn ze immens groot van zo dichtbij. Verrukt roept Bruis: “Daar wil ik wel mee zwemmen!” Zodra de walvis een duik neemt, glijdt de gids het water in om te kijken waar het dier zich bevindt. Dan mogen wij erin. Eerst zie ik een reusachtige donkergrijze schim in de diepte. Een bultrugmoeder, kalm en krachtig. Al gauw maak ik de contouren op en zie dat ze een kalf dicht tegen zich aan heeft. Ze bewegen langzaam, zij aan zij richting het oppervlak, alsof de oceaan hen draagt. Het kalf draait wat rond, terwijl de moeder waakzaam maar ontspannen blijft. En dan, net zo plots als ze verschenen, verdwijnen ze weer in het blauw. Binnen een minuut zijn ze buiten zicht en blijf ik achter met bonzend hart, me afvragend of ik dit werkelijk hebt meegemaakt. We mogen uiteindelijk drie keer het water in, om met verschillende walvissen te zwemmen. Bruis is vol extase en kan er niet over uit hoe groot de humpbacks zijn. Bent vond het wel erg spannend om het water in te gaan en heeft de walvissen vanaf de boot heel goed kunnen bekijken. 

Een magische ontmoeting met een bultrugmoeder en haar kalf

Ons kent ons

Aitutaki is een eiland waar tot vorig jaar nauwelijks boten konden stoppen doordat de passage door het rif te ondiep was. Nu de haven onder constructie is, kunnen er meer boten komen; dit jaar zo’n zeventig in totaliteit. Het eiland stal onze harten. De eenvoud, de zorgeloosheid, de gemoedelijke en lieflijke sfeer. De cruisers die er komen, worden door de lokale mensen meteen in hun harten gesloten. Het is ons kent ons. Tegelijkertijd is het leven er eenvoudig. Mensen wonen in simpele huizen met een gemengde slaapkamer. Het graf van de voorouders prominent in de voortuin, en overal lopen varkens en kippen rond. De eilanders leven van toerisme of werken binnen de lokale economie. Men verbouwt wat eigen groente en fruit dat verspreid over het eiland te krijgen is. Verder is men afhankelijk van de aanvoer van spullen per containerschip dat eens in de twee weken komt. Er is overigens ook een botenbouwer van open aluminium boten gevestigd die we uiteraard een bezoekje brachten.

Na een week is het tijd om verder te varen. De zeemijlen wachten op ons en een weervenster dient zich aan om Palmerston te bezoeken, een atol op dagen afstand varen van enig ander land. Een community van zo’n dertig mensen leeft er nagenoeg zelfredzaam. Off the beaten track, zo ervaren we de Cook Islands. En Palmerston wordt de kers op de taart.

De Striders gooien de Moana Nui en ons los en maken daar dit leuke filmpje van. Dank je wel Niels en Rosan 🙏.


textbyfrieda Avatar

Over de auteur

Frieda Fennell is levensgenieter, zeiler en schrijver van het boek ‘Kapitein van mijn Geluk’. Ze koestert de droom om haar kinderen de vrijheid te laten ervaren in zijn meest pure vorm. Hun avonturen legt ze op schrift vast in dit blog. Met haar enthousiasme en passie hoopt ze anderen te inspireren om de wereld te verkennen en te genieten van elk moment.