“Dit geloof je niet. Ik heb een gat in mijn arm”, vertelt Bruis als hij gaat spelen bij Hugo op de Rollercoaster. Dat gat is het resultaat van onze huisbacterie die er een gaatje in gegeten heeft. We moeten het diertje maar een naam gaan geven. Hij lijkt ons niet te willen verlaten en hoort zo onderhand bij het interieur. Gelukkig hebben we in Colombia de voorraad antibiotica goed kunnen aanvullen. Dat is ondertussen onderdeel van het weekmenu… Ik maak er een grapje over, maar leuk is het absoluut niet! Al onze inspanningen om de bacterie uit te roeien, zijn zonder succes. Deze keer zit de bacteriële infectie in de elleboog van Bruis. Een akelige plek en dat terwijl we op minimaal 24 uur varen van enige vorm van gedegen zorg liggen. Als de huisarts in Nederland zelfs de moeite neemt om me hier in San Blas op te bellen, en me te adviseren een plek op te zoeken met toegang tot zorg, dan weet ik dat het serieus is. Inmiddels hebben we heel wat ervaring met infecties van deze stafylokok en herkennen we het verloop ervan. We hebben vertrouwen dat de antibiotica zijn werk gaat doen en besluiten toch in het oosten van San Blas te blijven.

Dat het leven off-grid zijn risico’s kent, bleek ook eerder deze week toen we ons wilden klaarmaken voor vertrek vanuit Puerto Escosés naar Mulatupu. We waren nauwelijks wakker of de marifoon kraakte. De stem van Hugo schalde door onze boot: “We hebben een pakje in de schoen!” De jongens hadden de avond ervoor de schoen gezet bij de Rollercoaster. Die moest natuurlijk DI-RECT opgehaald worden. Met de pot koffie en bekers in de aanslag maakten we aanstalten om naar de buren te varen. Eerst moest de dinghy nog in het water gelaten worden, want die hangen we iedere avond op aan daarvoor geïnstalleerde beugels achter de boot. Dat is tegen diefstal maar ook voor het behoud ervan. Bruis hielp Leon om de dinghy te laten zakken en wilde de klem van de lier dichtdoen. In zijn enthousiasme om naar de klem te komen kwam zijn vinger langs de hengel. Beet!!! Bruis had de haak flink diep in zijn vingertje.


Dit zijn de momenten waarop je je geprobeerd hebt voor te bereiden, maar waarop je nooit echt voorbereid bent. Eerst maande ik mezelf om rustig te blijven. Bij Leon stond de paniek in zijn ogen te lezen. “Een schaar Leon, pak een schaar.” Ik knipte het haakje los van de lijn zodat Bruis niet meer aan de hengel vastzat. Toen analyseerde ik vliegensvlug de situatie. “Leon, roep Connie op”, zei ik resoluut. Connie is tandarts van beroep, dat eindigt op arts 😆. Dus die weet vast raad. Bovendien heeft de Rollercoaster internet aan boord en kan dus op internet opzoeken wat wel en niet te doen in deze situatie. Wij kiezen er bewust voor zonder Starlink te varen, daarover een andere keer meer. Maar in dit geval was internet aan boord wel handig geweest 😅.
Connie kwam direct aangesjeesd in de dinghy. Bruis jammerde erg van de pijn, maar was dankzij een filmpje weer een beetje gekalmeerd. De haak heeft een weerhaakje dus eruit trekken zou pijnlijk worden. Maar het haakje doorduwen tot hij er aan de andere kant weer uit zou komen, leek ons net zo traumatisch. Eerst verdoven dan maar? Verdovingsmiddelen heb ik aan boord en tijdens een cursus EHBO voor zeezeilers hebben we geoefend met injecteren. Maar om het daadwerkelijk toe te passen, en nog wel op je eigen kind, is een ander verhaal. Gelukkig was Connie de ‘arts’ daar. “Shit, waar ligt die EHBO-kist met spuiten en injectienaalden”, vloekte ik. Ik had geen idee waar ik die opgeborgen had. Leermoment!
Om een lang verhaal kort te maken, is Connie het internet gaan raadplegen. Het haakje eruit trekken zoals hij erin is gegaan terwijl je de vinger samenknijpt om het ‘kanaaltje’ in de vingertje te verbreden, leek de beste optie. En zo geschiedde. Zonder verdoving, want een vinger verdoven was ook geen sinecure en wellicht even pijnlijk. Gelukkig bleek dat de haak maar een klein weerhaakje had waardoor de schade aan Bruis zijn vinger erg meeviel.


En zo zaten we met een uur vertraging alsnog aan de koffie bij de Rollercoaster terwijl de jongens hun schoenkadootjes uitpakten en zich tegoed deden aan een pepernotenontbijt.
De gebeurtenissen lijken alweer een hele tijd geleden want iedere dag hier is een dag vol nieuwe indrukken. Ik kijk uit over Mulatupu, het eerste Guna-dorp dat we bezoeken. Het hele eiland past in één blikveld. Een loopbrug verbindt het dorp met het vasteland waar een ziekenhuis in aanbouw is en tevens de schoolgebouwen staan. Het dorp bestaat uit hutten van natuurlijke materialen en een enkel gebouw van steen die allen dicht tegen mekaar zijn gebouwd tot aan de waterkant. Met opgestapeld koraalsteen wordt gepoogd het eiland tegen het wassende water te beschermen. Een onbegonnen zaak… Ín het water staan kleine hutten van een meter bij een meter met het land verbonden door middel van een loopplank. Daarin zijn toiletten gevestigd zodat de poep en pies direct de zee in plonst.



Het is weekend als we het dorpje bezoeken. We varen met de dinghy naar een kademuur waar ook een bevoorradingsschip ligt. De Guna’s voorzien veelal in hun eigen levensonderhoud door de vangst van vis en het verbouwen van voedsel op hun ‘finca’ op het vruchtbare vasteland. Toch is er ook hier steeds meer vraag naar ingevoerde producten zoals meel, rijst, suiker, diverse dranken, en meer variëteit aan groenten en fruit. Guna Yala is over land nagenoeg niet te bereiken, dus alles komt en gaat over zee. De bevoorradingsschepen nemen op hun beurt weer de bananen en kokosnoten van de Guna’s mee die elders verhandeld worden.
Het lijntje van de dinghy wordt direct aangenomen door een Guna die de boot vastmaakt. “Is dat een drol?”, roept Bruis vol afschuw. Een perfect gevormde drol drijft langs de dinghy; naast de kade zijn twee toilethutten. Nog voordat we allemaal op de kade staan, is er iemand opgetrommeld die wat Engels spreekt. Hij biedt aan ons een tour van het eiland te geven en daar gaan we graag op in. Het blijft een wondere wereld. Zo ver we kunnen kijken zien we rieten hutten met elkaar verbonden door stoffige steegjes. Er zijn geen straten en er is geen gemotoriseerd verkeer; er is zelfs geen fiets of step te bekennen. Ook is er nagenoeg geen groen op het eiland. We geven onze ogen de kost. Was ligt te drogen op de rieten daken of schuttingen, waarachter het leven van de Guna’s zich afspeelt. Nieuwsgierig steekt een Guna- vrouw haar hoofd boven de schutting uit. Kinderen lopen achter ons aan als we een weg door het dorp banen. We zien volwassen vrouwen in traditionele kleding met daarop geborduurde mola’s. Ze dragen kleurrijke sieraden van de enkel tot de knie en pols tot elleboog. Aan de andere kant zien we jongeren in spijkerbroeken of korte broekjes met een naveltruitje. Luide muziek schalt uit een draagbare muziekbox als we een groepje jongens passeren. Één van hen heeft een mobieltje vast. En zo doet ook hier de moderne wereld langzaam haar intrede. Toch voelen we ons indringers in deze kleine en traditionele leefgemeenschap. Enerzijds omdat onze leefwijze zo ver afstaat van die van hen, maar ook heel letterlijk, omdat we hoog boven de Guna’s uittorenen en onze lompe lijven misplaatst voelen in de smalle steegjes tussen de huizen.








Desalniettemin lijkt het erop dat niet de Guna’s de grote trekpleister zijn. Overal waar we langslopen, hangen families uit het raam of komen naar buiten lopen. Mannen komen ons de hand schudden, kinderen roepen ‘hello’ en ‘how are you’ en vrouwen vragen hoe oud onze jongens zijn. Ze lachen van verbazing als we vertellen dat Bent 7 is en Bruis 4; zelfs onze kinderen zijn in hun ogen reuzen. Met zijn blonde haar en blauwe ogen willen de Guna’s graag met Bruis op de fotol. De jongens vinden het eerlijk gezegd allemaal erg overweldigend. Als een Guna-vrouw aan Bruis trekt om met hem op de foto te gaan, is dat de druppel. Bruis zet het hard op een huilen.

Nadat we ook de school – die vanwege het weekend gesloten is – bezoeken, vinden we een heus barretje waar we ons tegoed doen aan een koud drankje. De rondleiding zit er bijna op en het is de hoogste tijd om de Congresso te bezoeken. Dat is de eilandraad bestaande uit drie wijze mannen die het dorp besturen. We lopen achter de ‘gids’ aan naar een grote rietgedekte hut in het centrum van het eiland, aan een stoffig plein dat tevens dienstdoet als volleybalveld. Niet anders dan op een zaterdag in Nederland wordt er fanatiek gevoetbald en volleyballd door de Guna’s. We slalommen tussen het publiek door en bukken ons als we de Congresso binnenstappen. Binnen staan vele houten banken met in het midden drie hangmatten waarin de dorpsoudsten liggen. We worden gemaand stil te zijn als een van hen het woord neemt. Er wordt voor ons vertaald dat we welkom zijn. De leider vraagt waar we vandaag komen, hoe we heten en hoe oud we zijn. Dan wordt er uitgelegd dat we ankergeld moeten betalen aan de community. Dat is prima, geven we aan en een bonnetje wordt uitgeschreven. Ook worden we uitgenodigd om de dag erna een Chicha Fuerte ceremonie bij te wonen. Chicha is een zelfgebrouwen drankje met hallucinerende werking. We bedanken de raad voor de ontvangst en vervolgen onze weg terug naar de dinghy’s.




Op de boot vraag ik Bent en Bruis wat ze ervan vonden. Het was duidelijk dat de Guna’s heel anders leven, maar Bent kan het toch niet echt duiden. Ze vinden het vooral niet leuk dat ‘die mevrouw aan Bruis ging trekken’. Tja, dat zijn dan de indrukken die kinderen onthouden 😆.